‘Als je zoveel aan je hoofd hebt, kun je minder verdieping in je leven brengen’

Frits Spangenberg van onderzoeksbureau Motivaction over ‘de grenzeloze generatie’ en aantredende ‘millennials’

Interview | Marieke van der Giessen – van Velzen

Een belangrijke vraag in het Handelingen-nummer over ‘Levensoriëntatie in het hoger onderwijs’ is die naar de leefstijlkenmerken van studerende jongeren ten opzichte van andere generaties en ook of geloofs- of levensovertuiging daarbij een rol speelt. Handelingen doet verslag van een inspirerend gesprek op persoonlijke titel met de gedreven Frits Spangenberg, oprichter en jarenlang algemeen directeur van Motivaction – research and strategy dat onderzoek doet naar leefstijl en waardenoriëntatie.

Download dit artikel

Drs. Frits Spangenberg studeerde sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1984 richtte hij onderzoeksbureau Motivaction op, dat inmiddels circa honderd medewerkers in dienst heeft. Motivaction, gevestigd in Amsterdam, helpt bedrijven en instellingen beter te presteren aan de hand van grensverleggend beleidsonderzoek. Spangenberg was jarenlang algemeen directeur. Eind 2005 heeft hij zich teruggetrokken uit de dagelijkse leiding om zich volledig bezig te kunnen houden met de maatschappelijke veranderingen die onze samenleving vormgeven. Hierover geeft hij lezingen (www.fritsspangenberg.com). Met Martijn Lampert publiceerde hij De grenzeloze generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK (2011, 2013). Daarvoor verscheen van hun hand De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders (1e druk 2009) bij Nieuw Amsterdam Uitgevers. In dit boek gaat het vooral over opgroeien, opvoeden en onderwijzen, de tweede titel kijkt iets verder in de levensloop: naar werk, werksituaties en naar wat jongeren van de grenzeloze generatie van toekomstige werkgevers verwachten.

Zijn er specifieke leefstijlkenmerken aan te wijzen voor de jongeren van nu, met name van de groep studenten in het hoger onderwijs?

Het interessante van de vraagstelling naar specifieke kenmerken van een groep is dat je er langdurig over kunt bakkeleien en er nooit uitkomt. Iedere jongere is uniek, voelt zich ook uniek en wil tegelijkertijd bij de groep horen. Die paradox zie je eigenlijk door het hele verhaal heen terug. Als je uitgaat van de verschillen, zie je allemaal unieke individuutjes en lijkt het nérgens op, maar als je durft te kijken naar bepaalde patronen, zijn die er wel degelijk. Om dat wat duidelijker te krijgen zijn we in onze onderzoeken gaan kijken naar drie perspectieven: het generatie- of leeftijdscohort, de levensfase en de waardenoriëntatie. 

Generatie- of leeftijdscohort

Het leeftijds- of generatieonderzoek dat wij doen – en ook heel veel andere onderzoeken trouwens – geeft aan dat je datgene wat je in je vormende periode hebt meegemaakt, de rest van je leven voor een belangrijk deel met je meedraagt. Daar zien we tal van bewijzen voor. Mijn ouders hebben de oorlog meegemaakt, ze waren in de bloeitijd van hun leven. Die oorlog kwam altijd terug, bij alles wat er gebeurde. Opgegroeid in een periode van schaarste, waarbij religie een veel dominanter rol speelde. Een tijd waarin je dankbaar moest zijn voor wat je kreeg, je meer moest afwachten en je bescheiden opstellen en waarin vooral ook verwacht werd dat je een bijdrage leverde aan de samenleving. Het ging om solidair zijn: je geeft veel en misschien krijg je ook wat terug.
Ik noem dit met name, omdat het in die generatie die de oorlog heel bewust heeft meegemaakt in hun jeugd, hun adolescentie, die onzekerheid en het gevoel van rechteloosheid nooit meer kwijtraken. Je bezit, maar ook je dierbaren die je van de ene dag op de andere kunt verliezen.

De jongeren van nu die wij ‘de grenzeloze generatie’ noemen, geboren vanaf 1986 tot 1995, zijn juist opgegroeid in de periode dat alles kan, zeker de hoger opgeleiden. Hun wieg heeft vaker gestaan bij ouders die ook een hogere opleiding hebben gehad. Of die als ze niet een hogere opleiding hebben genoten, wel in hun mindset open zijn, tolerant, stimulerend, inspirerend. Jongeren die in het hogere opleidingscircuit zitten, zijn van jongs af aan gestimuleerd, soms ook gefrustreerd – want daar krijg je de mooiste resultaten van. Juist dingen die níet mogen of dat je iets moet bereiken door hobbels te overwinnen, geeft eigenlijk de prestatie. Jongeren die uitblinken, of het nou sport is of studie of tekenen of muziek maken, hebben eigenlijk altijd van iemand die stimulans gekregen, een push.
De groep jongeren die lager opgeleid is komt vaker uit een nest waar de ouders minder ontwikkeld zijn. Minder opleiding, minder geld, minder stimulans en meer ontmoediging in de zin van ‘je hebt hoeden en petten en jij bent een pet; vergeet het maar, dat is toch niet voor ons’. Ouders zijn zich er vaak niet eens van bewust dat ze zelf die moed ook niet hebben om stappen te nemen en initiatieven te ontplooien. Ze hebben het idee dat als je wat probeert dat toch gedoemd is te mislukken, want ‘ik heb toch altijd pech’.

Tien, elf procent van de Nederlanders leeft onder de armoedegrens. Dat betekent dat ze van een uitkering moeten rondkomen. Er is wel geld maar toch heel schaars. Je ziet dat het voor kinderen die geboren zijn in een arm gezin heel moeilijk is om vooruit te komen. Ze kunnen wel een opleiding volgen – in Nederland is in feite alles mogelijk in technische zin – maar ze komen er bijna niet uit.

Is milieu bepalender dan motivatie, kennis, intelligentie, capaciteiten?

Het is een samenspel. Als je niet gestimuleerd wordt, pak je dat boek niet. Als de televisie altijd aanstaat op programma’s met vooral entertainment word je niet geprikkeld. Het treurige van onze achterstandswijken, en zeker ook van de ‘zwarte wijken’, is dat ze zelfbevestigend werken. De jongeren zien er allemaal andere jongeren die ook nooit een boek pakken, die ook nooit met hun ouders naar een museum gaan, of naar een theatervoorstelling – wat de meeste kinderen prachtig vinden en heel stimulerend. Zo krijgen ze nooit een ideaal, een droom, een inspiratie. Het is heel treurig eigenlijk dat dat zo vast zit.

Ik maak me in dit verband ook ernstig zorgen over het moslimfundamentalisme. Ik ken veel moslims en dat zijn hele lieve, aardige, gastvrije, begripvolle mensen. Maar de korantekst geeft veel aanleiding tot gewelddadigheid. Dat doet de Bijbel ook op een aantal punten, maar goed, dat is een andere discussie. Het christendom heeft de Verlichting doorgemaakt en wij mogen als christenen kritische vragen stellen. Een moslim mag dat niet. Als je wel vragen stelt, ben je al snel afvallige.

Deze moslims met hun eigen waarden en normen bevinden zich nu ook hier, dus je krijgt een botsing. Ik vrees dat die botsing gaat toenemen. Het zit vooral in het segment van mensen die lager opgeleid zijn en minder gestimuleerd worden. Als je weinig aspiraties hebt wat betreft opleiding, cultuur, muziek maken, leren, wetenschap, val je makkelijker terug op je cultuur en je religie. Je kunt terugvallen op je groep, die biedt camaraderie, herkenning, bescherming in zekere zin.

Ik vind dat heel zorgelijk, juist omdat de aantallen zo groot worden en we maar heel weinig doen aan burgerschap. Wat ik net even noemde, die oudere generatie die op het netvlies had dat we moeten samenwerken, solidair zijn, dat je als vanzelfsprekend zorgt voor anderen – dat zie je niet meer terug. De jongeren van nu willen weten ‘wat heb ik eraan, wat levert het op’.

 

‘Er kan zoveel en er moet ook zoveel, op allerlei domeinen moeten zij al heel jong scoren’

Levensfase

Het tweede perspectief om een groep in kaart te brengen is de levensfase. Kinderen die in huis wonen, de basisschoolperiode, middelbare school, de pubers. De adolescenten die vooral aan het verkennen zijn, risico’s willen nemen en grenzen willen overschrijden. Het kan eigenlijk niet gek genoeg en dat past bij die adolescentie, dat is die levensfase. De levensfase van de jonge ouder is sneller snel risicomijdend. Dan zie je echt een omslag in eenzelfde persoon, dat komt door de verantwoordelijkheid omdat er kinderen zijn. Als die kinderen op een gegeven moment ouder worden en het huis uit gaan, zie je dat weer variëren bij diezelfde persoon.

Er zijn een stuk of vijf van die levensfasen die voor een belangrijk deel het gedrag, je tijd en vrije tijd, wat je doet en deelt met anderen bepalen. Een jong studentenstel doet hele andere dingen dan wanneer er kinderen in het gezin zijn, dat is duidelijk.

Waardenoriëntatie

Het derde gebied, het speciale aandachtsgebied van Motivaction, is de waardenoriëntatie. Die stabiliseert zich na je 24e, dat weten we intussen op basis van onze onderzoeken. Honderdduizenden mensen hebben onze Mentality-test ingevuld en een aantal van hen volgen we jarenlang. Kinderen zijn voluptiel, heel beweeglijk, en ook beïnvloedbaar. Met kinderen kun je heel veel doen in de zin van richting geven. Ook kinderen van 15, 16, 17 jaar. Als zij een bepaald rolmodel vinden, kun je ze écht een andere kant op laten gaan. Maar bijna niemand verandert na zijn 24e ingrijpend waar het mentaliteit betreft.

Jongeren bijvoorbeeld die veel belang hechten aan status en blingbling, worden niet meer postmaterialistisch, die zie je niet meer idealistisch worden, dat komt bijna niet voor. Het ontwikkelt zich wel, maar hun oriëntatie blijft: ‘ik moet laten zien dat ik het gemaakt heb, met een goeie leasebak, merkkleding, bepaalde horloges of de laatste smartphone’. Ze blijven gefocust op die uiterlijke dingen.
Als je onze Mentality-test bekijkt, zie je dat we acht groepen, acht milieus, hanteren. Met mijn hand in het vuur kan ik zeggen dat je bovenste drie groepen na je 24e nooit je onderste drie worden. Er kan er best wel eens eentje verschuiven, twee misschien, maar het draait nooit meer om. Al schuiven er drie, ze raken nooit onderop.

Betekent dit dat je je instelling, je identiteit gevonden hebt?

Na je vormingsperiode heb je je identiteit gevonden in je waardenoriëntatie, ja. We zien dat bij heel veel jongeren. Of ze nu van baan veranderen en in een ander domein gaan denken, van partner veranderen, een echtscheiding meemaken, verhuizen of een hele nieuwe lijn kiezen, hun mentaliteitsprofiel blijft ongeveer gelijk. Als het hedonistische er bijvoorbeeld in zit en het uitgaan en stappen belangrijk is voor je, dan blijft dat. De wens om entertainment te ondergaan verandert niet wezenlijk. Wel in die zin dat je andere gelegenheden kiest: de kroeg wordt een festival, de bioscoop het theater. Het niveau kan veranderen, maar het blijft uitgaan.

 

Keuzestress

Waar hebben studenten van nu mee te maken, anders dan de zittende generatie?

Waar studenten van nu grote moeilijkheden mee hebben is de keuzestress. Er kán zoveel en er móet naar hun idee ook zoveel. Op allerlei domeinen moeten zij al heel jong scoren. Ze moeten een goede student zijn, ze moeten een goed kind voor hun ouders zijn, een goede partner zijn, als ze al kinderen hebben moeten ze een goede ouder zijn, ze moeten sportief zijn, er goed uit zien. Dat is best moeilijk te combineren, want er moet tenslotte ook gewerkt worden. Er moet brood op de plank en om een beetje prettig te kunnen leven en je huur te betalen, moeten beide partners werken. Er is een volle agenda. Dat geeft veel stress, ook omdat die patronen heel anders zijn geworden. De vooroorlogse generatie woonde vaak in de buurt van de ouders. De vrouw was veel meer, veel meer thuis, ze had misschien een paar uur een baan, maar niet zo’n verantwoordelijkheid als vaak nu het geval is. De man werkte en kwam vaak tussen de middag thuis om te eten. Alles was veel overzichtelijker. Als er op de kinderen gepast moest worden, was er een buurvrouw. Het waren de vrouwen die sociale controle uitoefenden of even bijsprongen. Dat is nu stukken minder. Iedereen staat veel individualistischer in het leven. Ook stellen. Ze moeten er veel meer zelf voor zorgen dat het allemaal in orde komt en dat alles marcheert. Heb je kinderen, dan moet er ook van alles: paardrijden, muziekles, allerhande georganiseerde activiteiten. En er moet ook kleding naar de stomerij.

Allemaal ballen die hooggehouden moeten worden naast de ambitie om in je werk vooruit te komen of in je studie vooruit te komen, want ja, die punten moeten ook gehaald worden.

Smartphones

We hebben te maken met ‘de grenzeloze generatie’, geboren van 1986 tot 1995, en met de nieuwe lichting die nu het hoger onderwijs betreedt: de ‘millennials’. Die opschuivende cohorten volgen we. Ieder jaar worden de gegevens opnieuw verzameld.

Het tempo en de prestatiedrang is hoger geworden vergeleken met een paar decennia geleden. Internet heeft daar ook mee te maken. Kijk maar naar je kinderen, ze zijn altijd bezig met hun smartphone, om via de sociale media steeds te kunnen volgen wat hun vrienden doen.

Wij hebben zelf twintigers in huis en bij hen zie ik het steeds gerichter gebeuren. Meer ‘ik ben iets aan het uitzetten met jou’, waarbij het dan gaat om hun werkgroep bijvoorbeeld.

Maar het komt er allemaal bij! Het is bijna 24/7 dat je bereikbaar wilt zijn, moet zijn. Ga je net slapen, pling, komt er weer een berichtje binnen. Die belasting zie je heel sterk in praktische zin. Het draait om al die functionaliteiten – we hebben het dan dus niet over zingeving – maar om te zorgen dat alles een beetje reilt en zeilt. Dat heeft onmiddellijk als implicatie dat je minder verdieping in je leven kunt brengen, als je zoveel aan je hoofd hebt. Want je gaat meteen weer rennen, hup-hup-hup. Zo’n gesprek als wij nu hebben, de tijd die wij hier rustig met elkaar aan tafel zitten, is er vaak niet. ‘Nee, nee, over een kwartier moet ik daarheen’; ‘O nee, gaat niet door, hoor, dat is allemaal weer overhoop gehaald’. Het maakt het leven niet rustig, het maakt ook je mindset niet rustig, omdat je voortdurend moet improviseren om dingen voor elkaar te krijgen.

Wat betekent dit voor concentratie en prestatie, als we het over studenten hebben?

Onze generatie denkt meer in ‘serieus’ en ‘diepgang’ en ‘doorgronden’. Bij hen is het veel meer flexibel en wendbaar in de zin van kijken wat er op je afkomt. In de samenleving van nu is het ook nodig dat je die flexibiliteit en die wendbaarheid kunt opbrengen, dat je snel kunt schakelen en snel kunt veranderen. Maar het komt in mindering op zingeving. Je hebt geen tijd om je af te vragen: ‘Waar sta ik in mijn sociale omgeving, waar sta ik met betrekking tot de mensen om me heen?’

Zien jullie daar nog geen omslag in? Ik zie ook om me heen dat ze gewoon een dag niet opnemen. Een zoon die pas terugbelt als het hem uitkomt of een studente die niet reageert op appjes als ze met haar studiegroep iets voorbereidt.

Een voorhoede doet dit. Ik zou het nog geen trend willen noemen. Zo zijn er ook mensen die met vakantie willen naar een plek waar geen wifi is. Het is héél leuk om een week of een lang weekend naar een oord te gaan zonder wifi – ja, nee, maar niet langer dan een week! Het is nog geen gemeengoed om te zeggen ‘van dan tot dan sluit ik me af ’. Deze generatie leeft totaal anders dan de oudere generatie die een vaste telefoon heeft en wel even aan de deur komt als iemand niet opneemt.

Zorgelijk

We hebben bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar gezinnen met jonge kinderen. Hoger opgeleiden hanteren regels, lager opgeleiden veel minder, en gebroken gezinnen waar echtscheiding aan de gang is, nog veel minder. Die hebben vaak een schuldgevoel ‘ze missen al zoveel’ en geven dan wél een smartphone. Juist in veel gebroken gezinnen waar vaak minder structuur is, zie je dat kinderen meer mogen en niet gelimiteerd zakgeld krijgen maar geld naar behoefte, ook al is er heel weinig geld in het gezin. Dat de kinderen minder structuur krijgen aangeboden is eigenlijk een groter handicap nog dan het gezin op zich. Deze kinderen kunnen zich vaak moeilijk concentreren. Voor je het weet zitten ze in een Wajong-uitkering en staan ze helemaal buiten het proces. Het is zorgelijk dat deze ontwikkelingen vaak pas aan het eind worden aangepakt.

Mensen die weinig structuur hebben gehad, bij wie weinig lukt in hun leven, hebben sterk de neiging om externe factoren aan te wijzen als oorzaak of schuldige, het maakt niet uit wie: de gemeente of wie dan ook. Wat dat betreft vind ik het echt een gemis om kinderen niet van jongs af aan erop te wijzen dat je zelf verantwoordelijk bent. Je hebt zelf verantwoordelijkheid voor zelfstandigheid en autonomie.

Cultuurbepaald

Je beschrijft nu een patroon en verbindt er meteen een conclusie aan, een zorg.

Dat is toegepaste wetenschap. Wij doen net een stapje verder en proberen aan te geven wat de consequenties daarvan kunnen zijn. Wij hadden hier bij Motivaction bijvoorbeeld een sollicitant voor data-analist, een jongen met een moslimachtergrond, zeer capabel, we wilden hem graag hebben. Toen we de referenties natrokken hoorden we dat hij vrouwen geen hand wilde geven. Een uiterlijkheid denk je, maar ik wil dat niet in mijn bedrijf. ik ben bij die sollicitatie naar binnen gegaan en heb hem gezegd: ‘We willen jou graag hebben, maar het is een regel in Nederland en in onze cultuur dat vrouwen gelijkwaardige partners zijn, ook om mee samen te werken.’ Hij is bij ons komen werken en hij heeft zijn werk heel goed gedaan, maar is toch na een paar jaar weggegaan omdat hij niet kon integreren. Hij kon bijvoorbeeld niet meedoen met teamuitjes omdat daar alcohol geschonken werd.

Structuur en duidelijkheid

Is er iets van andere culturen en etnische herkomst te merken op hogescholen en universiteiten?

Een tijdje geleden sprak ik voor de Hogeschool van Amsterdam bij de studie MER, marketing, economie en rechten. Tachtig procent was daar echt donker gekleurd. Dat wordt ook gepusht door de ouders, want zo’n studie biedt perspectief. Het was de opening van hun beroepenoriëntatieweek in theater Tuschinski. Ik kwam binnen en ik zag daar al die práchtige jongeren, kek gekapt en mooie pakken aan. ‘Wat is hier aan de hand?’, vroeg ik. ‘Dat is onze nieuwe lijn’, zei de studiebegeleider. ‘Ze moeten zich representatief kleden, anders komen ze er niet in en krijgen ze ook geen studiepunten.’

Ik kreeg er die week twintig hier op kantoor op bezoek en het grappige was dat ze stipt op tijd waren. Wat bleek: ze hadden afgesproken bij het Centraal Station en eentje had uitgezocht hoe ze er moesten komen. Ze zagen er ook nu weer keurig uit. Ik zei: ‘Van harte welkom. Het is jullie beroepenoriëntatieweek en jullie hebben gekozen voor Motivaction. Wat weten jullie van Motivaction?’ … stilte … Niemand had ons gegoogeld of zich ingelezen. Dat was hun niet verteld, dus hadden ze dat niet gedaan.

Voor mij was dat buitengewoon leerzaam en verhelderend. De focus was dus gelegd op er representatief uit zien, maar niet op ‘bereid je voor, google even, bekijk de website en bedenk eens of twee slimme vragen’.

Aan het eind vroeg een van hen aan mij: ‘Kan ik hier ook een stage krijgen?’ ‘Nee’, was mijn antwoord, ‘een stage krijg je hier niet zomaar, daar moet je voor solliciteren. Daar moet je echt je best voor doen.’ Je zag ze echt een beetje flabbergasted kijken van ‘o, zit dat zo’.

Kennelijk moeten de zaken van tevoren duidelijk aangegeven worden.

Ja, je ziet dat je heel helder en duidelijk moet zijn, dat je die structuur te bieden. Ook op het hbo, en áls je dat doet, gebeurt het ook.

Hoort dat ‘voorkauwen’ bij deze generatie jongeren?

Dat is nu het grote probleem. De meeste docenten vinden dat jongeren dat zelf moeten kunnen. Maar als die jongeren het zelf niet doen … Er zijn veel jongeren bij met een niet-westerse etnische achtergrond. Hun ouders zijn geïmmigreerd en komen vaak uit de lagere ontwikkelingsgroepen. De Marokkanen die hier zijn, zijn vaak Berbers, meestal niet de ontwikkelde stedelingen. Natuurlijk zijn er ook de intellectuelen uit niet-westerse landen, een kleinere groep, die spreek je eerder, die ontmoeten wij ook eerder. Maar de grote groepen moeten die structuur krijgen. En op scholen hebben docenten de neiging om te zeggen: ‘Dat moet je toch zelf doen.’

Aan het begin van de opleiding kun je toch gewoon zeggen dat je verwacht dat studenten dingen zelf uitzoeken?

Dat is niet genoeg. Bij alle informatie-impulsen die ze krijgen, zien jongeren zich ook nog al eens demotiverend en negatief benaderd. ‘Welkom’, klinkt het dan bij het eerste college, ‘kijk maar eens naar je buurman links en je buurvrouw rechts. Van jullie drie zijn er twee over een half jaar verdwenen.’ Zo’n benadering komt heel hard aan, het is gewoon níet stimulerend. Jongeren moeten gestimuleerd worden en vooral veel geprezen, docenten moeten veel dichter op de bal zitten.

Draait het om de persoonlijke benadering?

Ik noem dat wel ‘de behoefte aan mentale intimiteit’. Voor studenten is dat enorm belangrijk. Het geeft veiligheid. Jongeren in de leerpraktijk moeten bevestiging heel frequent horen, en vooral in de positieve gestimuleerd en geprezen worden. Iets steeds op korte termijn helder en duidelijk uitleggen, zodat er geen gelegenheid is om eraan te twijfelen of er een andere invulling aan te geven.

Wat voor jonge kinderen geldt gaat blijkbaar ook nog op voor studenten.

Zeker, en waar komt dat door? Hun ouders zijn vaak heel druk met zichzelf, met al die ballen waar we het eerder over hadden. Ook speelt mee dat veel ouders bevriend willen zijn met hun kind en weinig gezag uitstralen. Alles moet leuk en gezellig zijn, alles moet kunnen. Heel veel kan ook, we leven in een zeer welvarende samenleving. En als het niet kan, dan wordt er voor gezorgd dat het wel kan.

Religie en zingeving

In de waardenoriëntatiemodellen lijkt geloof of religie geen zelfstandige rol te spelen.

Het lastige is dat religie als zodanig, afgezien van bij moslims, laag in de prioriteit staat. Wij praten in het algemeen, in de grote aantallen. En dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de rituelen en de regels, van heel veel dingen die niet mogen – waarvan zeker kritische jongeren, studenten, zich afvragen van ‘Waarom niet? Hoe zit dat? Waar dient dat voor?’ Het stellen van die logische vragen heeft weer alles te maken met de media, met internet. Dat je alle vragen, alle problemen kunt tackelen.

‘Religie’ roept weerstanden op vanwege de geen verboden, waarvan jongeren zeggen: ‘Waar is dat voor nodig?’ en er eigenlijk helemaal geen verband in zien. Maar geloven, zingeving, een goed gesprek over ‘waarvoor zijn we op aarde’ en ‘waar ga je voor’ … die vraag is universeel. Ook lager opgeleiden denken daar graag over na. Dat wordt niet door alle religies op een goede manier aangepakt.

Zijn studenten volgens jullie onderzoeken met zingeving bezig?

Kijk, door die veelheid van zaken op hun agenda – ik chargeer – fladdert het vaak van links naar rechts. Omdat het zovéel dingen zijn, mist het vaak diepgang. Ze hebben zeker behoefte aan een diepgaand gesprek, maar maak er maar eens tijd voor.

Ze zijn toch bezig met hun levenskoers?

Levenskoers is voor veel studenten, bijvoorbeeld die de studie Marketing, Economie en Rechten volgen, vooral: ‘Wat ga ik verdienen en wat voor auto kan ik me veroorloven?’ Veel minder: ‘Welke bijdrage lever ik aan de samenleving?’ en veel meer: ‘Wat kunnen ze mij betalen, want ze mogen blij zijn dat ik straks bij hen kom werken …’

Dat klinkt zelfverzekerd.

Zeker, een beetje hoog van de toren. Kijk, optimisme is natuurlijk fantastisch, maar het gaat altijd om die balans tussen wat mag ik en wat kan ik. De vrijheid van meningsuiting is belangrijk – ook waar het gaat om de levensvragen – maar die bestaat alleen bij de gratie van verbondenheid, bij de gratie van respect. Er ligt een enorme nadruk op vrijheden, prachtig natuurlijk, maar vrijheden gaan alleen als je ook verplichtingen hebt. Veel jongeren hebben daar (nog) niet over nagedacht, zijn er ook niet mee geconfronteerd dat dat altijd in balans moet zijn.

Is dit een taak voor hogescholen en universiteiten?

Jazeker. Maar dan krijgen we een discussie over het curriculum, dat al zo vol zit en ze moeten al zoveel van de technieken en van de theorie leren. Terwijl dit, waar we het nu over hebben, zo wezenlijk is voor jouw vorming als mens, voor hoe je in de samenleving staat en welke taken je op je neemt. Het gebeurt natuurlijk wel, door ouders en door docenten, maar niet systematisch en structureel.

Op het moment dat je het bij de groep legt, of dat nu de ouders zijn of de leerkrachten, denken anderen als snel: ‘Mooi, dan hoef ik dat niet meer te doen.’

Regels handhaven

Kijk maar eens naar de praktische sociale controle, bijvoorbeeld wanneer iemand zwerfvuil op straat gooit. Bijna niemand in Nederland durft daar iets van te zeggen. Vaak zijn het jongeren en al heel snel is er de angst ‘ik kan wel gemolesteerd worden’. Het is toch eigenaardig: je bevindt je in publiek gebied, maar ‘ik loop in jouw straat en ik gooi m’n flesje neer waar ik wil. Als jij daar iets van zegt dan heb ik het recht om jou de huid vol te schelden.’ Een totale omdraaiing van zaken.

Zo zie je hoe we op het verkeerde spoor zijn. In mijn onderzoeken zie ik dat ook steeds vaker naar voren komen. Als je iets wilt bereiken als samenleving, moet je dat duidelijk stellen en handhaven. Fietsen, een mooi voorbeeld in Amsterdam Ze staan in de weg, worden vaak zomaar neergegooid of blijven half gesloopt ergens liggen. Er rijden nu vrachtwagentjes rond om die fietsen weg te halen. Niet oogluikend toestaan, maar regels handhaven en er iets aan doen.

We accepteren kennelijk dat mensen bij open afritten flesjes uit het raam gooien. En dat dat weer door andere mensen opgeraapt moet worden. Terwijl je daar relatief makkelijk iets aan kunt doen. Iemand die betrapt wordt op het uit de auto gooien van zwerfafval; meteen drie dagen vuil ruimen. Maar nee, dat klinkt betuttelend, dat kan niet. Daar hapert dus de solidariteit.

Heel veel gedragingen vormen gewoon een patroon. Een jongere die zijn flesje en plastic verpakking in de vuilnisbak deponeert is niet cool. Je ziet het op veel scholen: je gaat toch niet 50 meter verderop naar een vuilnisbak lopen, nee, dat gooi je gewoon weg. Anders ben je zo’n brave.

Hoog switch-gedrag

Hier speelt gemakzucht, maar meer waarschijnlijk dat je bij de groep wilt horen.

Maar het is een omdraaiing. Hetzelfde gebeurt met studenten: waarom stoppen er zoveel met hun studie? We hebben daar uitgebreid onderzoek naar gedaan. Studenten bezocht, met name bij het mbo, omdat daar sprake is van enorme aantallen. Ze komen met de meest vreemde smoezen waarom ze stoppen: ‘De ene docent zegt dit en de andere docent zegt dat’, ‘Mijn vriendinnen waren ook allemaal al gestopt’, ‘Ik vind de ambulance interessant, daarom ging ik in de zorg’ – een jongen – ‘maar toen moest ik bij demente bejaarden m’n stage lopen’ – tja, en dan stop je meteen?

Ook in het hoger onderwijs is sprake van zeer hoog switch-gedrag. Jongeren aan een hogere opleiding weten hun redenen slimmer te onderbouwen, maar dan nog. Ze weten waar ze aan beginnen: je bent gemotiveerd, hebt je geïnformeerd, naar voorlichtingsbijeenkomsten geweest, beroepskeuzeadvies gedaan en deze studie gekozen – waarom is het dan nu opeens niks meer?

Heel veel studies zijn natuurlijk in het eerste jaar veel theorie. Dat is altijd iets om doorheen te bijten. Vaak blijkt toch dat ze wat betreft hun eigen ontwikkeling nog niet klaar waren om hier al mee te beginnen. Hoger onderwijs is vaak: meer eigen initiatief nemen, meer zelfstudie, meer zelf werken om de gestelde doelen te halen.

Niet meegekregen

Hoezo zijn 17-, 18-, 19-jarigen nog niet toe aan die zelfstandigheid?

Ze hebben het van huis uit niet meegekregen. En ze zijn in een leeftijdsperiode waarin ze erg onzeker zijn over zichzelf en zich nog ontwikkelen. Natuurlijk hebben sommige 16-jarigen het helemaal voor elkaar, maar veel anderen niet. Door zoveel verwachtingen in de maatschappij over wat cool is en wat niet, vaak in strijd met wat ze zelf eigenlijk vinden, worden jongeren onzeker. Zo’n proces van bewust in het leven staan en kiezen waar je voor gaat wordt daardoor moeilijker. Dat geldt óok voor jongeren in het hoger onderwijs.

Onderhuids

Toch zeg je dat jongeren wel over geloven en zingeving, de vraag ‘waar ga je voor’ willen nadenken. Hoe weet je dat, waar zit dat?

Onderhuids, onderhuids! Zingeving speelt wel degelijk een rol. We zien voortdurend dat jongeren een enorme behoefte hebben aan zingeving. Als je het ‘religie’ noemt blokkeren heel veel mensen. Ook als je het over zingeving hebt, ligt het ingewikkeld, omdat het te weinig concrete betekenissen en handvatten heeft. Ze hebben nauwelijks meegekregen dat dit heel erg van belang is. Ik pleit daar met nadruk voor. Al zouden ze maar filosofie als keuzevak krijgen op de middelbare school. De vraag naar ‘wie ben ik’ heeft zóveel met je keuze en oriëntatie te maken.

Als jonge mensen zich er niet van bewust zijn, hoe kun je daar dan achter komen?

Met een omweg. Via de waaromvraag: ‘Waarom doe je dit, wie ben je?’ We ontmoeten veel jongeren die op de vraag naar ambitie en aspiratie zeggen: ‘Ik wil snel rijk en beroemd worden.’ Als je hun antwoord respecteert – nooit tegenspreken, maar gewoon op doorvragen – blijkt dat ze het eigenlijk helemaal niks vinden. Met die rijkdom, die dure auto, die blingbling, komen ook al die rapcultuur-zaken als vrouwenonderdrukking en gewelddadigheid mee naar boven, dat zien ze heus wel. Als je ze daar gewoon over laat vertellen, gaan ze zichzelf steeds meer corrigeren.

Maar zulke gesprekken hebben ze eerder nooit gehad! Vaak is een interview dat wij met hen doen de eerste keer dat er over de vraag ‘wie ben ik’ doorgepraat wordt! Dat geldt ook voor onze gesprekken met bijvoorbeeld volwassen vrouwen. Tijdens een interview dat ik had met een jonge vrouw, alweer even geleden, begon ze ineens te snikken: ‘Dat heeft mijn man me nog nooit gevraagd!’ Het is goed om je ervan bewust te zijn dat het vaak geen issue is om te bespreken hoe je in het leven staat.

Wel ben ik bezorgd, omdat ik veel te veel toestroom zie van de onderkant. We zien een neergaande lijn in onze data. Jongeren blijken vooral op uiterlijk gericht, op gadgets, op geld, veel meer dan op een prettige, mooie samenleving en het goed en gezellig maken met elkaar.

Betrokkenheid op de ander, naastenliefde, treffen jullie blijkbaar maar mondjesmaat aan?

Naastenliefde is zó’n achterhaald begrip, dat kennen ze niet meer. Maatschappelijke verantwoordelijkheid klinkt wat geaccepteerder, maar dan nog geldt: ‘ik moet werken voor mijn geld, dus jij ook’. Dat komt ook doordat we een uitkeringencultuur hebben. Veel mensen die een uitkering genieten en uitkeringsgerechtigd zijn zouden heel goed zouden kunnen werken, want er is heel veel te doen. Maar je moet er niet zoveel voor hoeven doen, het moet je komen aanwaaien.

Dat klinkt redelijk ontmoedigend.

Ik blijf heel optimistisch, al denk ik ook: ‘Tjongejonge, waar gaan we heen?’ Het wordt als betuttelend gezien, maar naastenliefde, maatschappelijke betrokkenheid, is een waarde waar je voor moet stáán.Marieke (A.M.) van der Giessen-van Velzen is onder meer eindredacteur van de tijdschriften Handelingen, Herademing en TussenRuimte. Ze heeft een journalistiek bureau voor tekst, eind- en beeldredactie. redactie.amg@online.nl