De grenzeloze mogelijkheden van een helder toekomstperspectief

FRITS SPANGENBERG EN MARTIJN LAMPERT

De grenzeloze mogelijkheden van een helder toekomstperspectief

Onder de titel De Grenzeloze Generatie publiceerden Frits Spangenberg en Martijn Lampert in 2009 de resultaten van een decennialang onderzoek naar de waarden en motieven van Nederlandse jongeren, in relatie tot volwassenen. De titel roept wellicht beelden op van vrijheid, losbandigheid en onbestuurbaarheid, maar de paradox is dat veel van deze jongeren juist behoefte hebben aan grenzen, sturing en leiding. Dat vereist volwassen rolmodellen die ervoor kunnen zorgen dat de blik van deze jongeren is gericht op doelen aan de horizon. Een helder toekomstperspectief, zo betogen Lampert en Spangen berg, heeft een mobiliserende, inspirerende werking op de jongere generatie.

Door Martijn Laman

Er gaat heel veel wél goed, benadrukken Frits Spangenberg en Martijn Lampert, onderzoekers van Motivaction, tijdens het gesprek. “Nederlandse jongeren zijn gemiddeld h et gelukkigst van de hele wereld. Het merendeel van onze jeugd zal zich in de toekomst best redden”, zegt Lampert. Toch wringt er iets, zeker met het oog op die toekomst. “Dat merken heel veel mensen in de dagelijkse praktijk. Jongeren van nu, maar ook hun opvoeders en opleiders, hebben een andere kijk op de wereld, andere verwachtingen, en gedragen zich dus ook anders dan vroegere generaties.”

fritsLangetermijnbril

Spangenberg legt een link naar de omstandigheden : “De samenleving wordt steeds complexer, de internationale concurrentiepositie van de BV Nederland staat onder druk. Bij de beschouwing van de toekomst van onze jongste generatie, moeten we daar terdege rekening mee houden. Het is de vraag of we jongeren van nu goed voorbereiden op de mondiale economische competitie waarin Nederland partij is. We constateren dat er, ondanks alle voorzieningen, veel jongvolwassenen rondlopen zonder startkwalificatie en dat grote groepen switchen of stoppen met hun opleiding. Veel jongeren slagen er niet goed in om richting in hun leven te vinden. Zij dreigen maatschappelijk buiten de boot te vallen, met alle gevolgen van dien. Als we de ontwikkeling van Nederland actief vorm willen geven, moet een sterkere prioriteit liggen bij de opvoeding en opleiding van die jongeren.”

Sinds 1984 onderzoekt Motivaction de motieven, drijfveren en waarden die ten grondslag liggen aan het gedrag van mensen en die de ontwikkeling van generaties vormgeven. Zij doet dat nadrukkelijk met een ‘langetermijnbril’ op: “Veel beleidsmakers en politici laten zich leiden door de waan van de dag”, zegt Spangenberg. “Maar zij houden zich nauwelijks bezig met doelen aan de horizon en de meest wezenlijke, strategische vragen voor de BV Nederland: wat is voor ons een goede samenleving? Welke waarden doen er voor ons toe? In wat voor land willen wij in 2025 leven? En hoe krijgen we die toekomst voor elkaar?”

Letterlijke grenzeloosheid

“Je formatieve periode duurt van de geboorte tot ongeveer je 25e levensjaar”, vertelt Spangenberg. “In die tijd kan het nog alle kanten op. Natuurlijk zijn generaties niet homogeen. Wel zijn ze algemeen te beschrijven aan de hand van de waarden die ze meekrijgen en door wat ze meemaken. Een beeldend voorbeeld van dat laatste is de generatie die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt. De vormende periode van wat wij de grenzeloze generatie noemen, kende een relatieve ongebondenheid, welvaart en veel mogelijkheden, maar ook ‘9/11’, de dot-com bubble en de bankencrisis. Jongeren van nu zijn optimistischer ingesteld dan oudere generaties, maar hebben ook vaker te maken met negatieve emoties, zoals verveling, schaamte of wrok.”

De grenzeloosheid is letterlijk te nemen, voegt Lampert toe: “Door internet en goedkope vliegtickets ligt de wereld binnen handbereik. Ouders stellen minder grenzen en plaatsen hun kinderen op een voetstuk. Al was het maar omdat ‘Jong’ blijven tegenwoordig het hoogst haalbare lijkt voor volwassenen. Veel jongeren worstelen met die grenzeloosheid in hun leven. Ze hebben zoveel keuzes dal ze erin kunnen verdwalen. Door de can-do-mentaliteit en het bijbehorende narcisme lopen droom en realiteit in hun leven sterker door elkaar heen dan bij eerdere generaties. Er gaat veel goed, maar ook doen zich bij de grenzeloze generatie problemen voor: schooluitval. huiselijk geweld, schuldenproblematiek. Jongeren die hiermee te maken hebben, krijgen vaker het deksel op de neus. Met alle onzekerheid van dien.”

Om die onzekerheid te voorkomen, stelt Spangenberg, is de regie nodig van volwassenen, van opvoeders en opleiders in Nederland: “Niemand wordt vanzelf een prettig, verstandig en voor zichzelf en de samenleving verantwoordelijk mens. Dat moet je leren, net als democratisch denken en verantwoordelijkheid nemen. Dat leerproces, dat zich afspeelt tussen volwassenen en kinderen, noemen wij het ‘bewaarden’ van het leven.”

Individualiteit en eigenbelang

Spangenberg: “Binnen de grenzeloze generatie onderscheiden we een scala aan segmenten, gebaseerd op hun waarden en attitudes. Om daarbij aan te sluiten is eigenlijk eenzelfde scala aan onderwijsvormen nodig. Het is heel goed dat het onderwijs zich wil richten op de ontwikkeling van individuele talenten, maar dat moet zich niet beperken tot de zelfredzame jongeren. Er is ook een grote groep jongeren die, meer nog dan de oudere generaties, houvast nodig heeft en hecht aan hiërarchische verhoudingen.” Spangenberg doelt daarbij niet op hiërarchie tussen mensen, maar tussen de verschillende rollen: de verhouding tussen kind en ouder, tussen kind en docent. “De ambachtsschool kan als onderwijsvorm goed op die jongeren inspelen, omdat daar de relatie mentor-pupil veel meer centraal staat. We zijn alleen vergeten dat het talent van veel jongeren ligt bij wat ze met hun handen kunnen. Je kunt worden wat je wilt, maar de gedachten gaan teveel uit naar het ideaal van een manager met leaseauto en huis in een Vinexwijk.” Kinderen moeten  tegenwoordig heel vroeg zélf toekomstbepalende loopbaankeuzes maken. “Mede daarom richt het onderwijs zich steeds meer op de individualiteit van jongeren”, zegt Lampert. “Daar is weinig mis mee, maar het is biologisch gezien normaal dat jongeren liever genieten van het jong zijn dan dat ze zich serieus bezighouden met hun toekomst. Jongeren zijn op die leeftijd nog niet toe aan zelfstandigheid of langetermijndenken, hun hersenen zijn nog volop in ontwikkeling. Op die leeftijd is het juist heel effectief en leerzaam om aandacht te besteden aan samenwerken, netwerken, het ontwikkelen van empathie.”

Dat heeft ook maatschappelijke en economische voordelen, vult Spangenberg aan: “We staan als samenleving tenslotte samen voor onze toekomst. Europa wordt nu al ingehaald door opkomende economieën. Om daar iets aan te doen, is het van groot belang om in de politiek en in het onderwijs veel meer te denken vanuit het collectieve belang. Hoe goed bedoeld het ook is, als opvoeders of opleiders met kinderen praten over de ontwikkeling van hun talenten, dan speelt het maatschappelijk belang in die boodschap vaak een marginale rol. Het is dus niet gek dat voor veel jongeren het eigenbelang zwaarder weegt dan plichtsbesef of maatschappelijk idealisme. Daar kunnen we ons aan overleveren, maar we kunnen ook doelgericht op zoek gaan naar de kernwaarden die horen bij de samenleving waarin wij met zijn allen willen leven en kunnen floreren.”

Rolmodellen

Spangenberg: “Het onderwijs heeft vooral rolmodellen nodig, mensen die kunnen laten zien wat begrippen als ‘wederkerigheid’ en ‘coöperatie’ praktisch In houden en wat een waarde als ‘gemeenschapszin’ voor onze samenleving betekent. De huidige focus op de individuele benadering versterkt de polarisatie tussen zelfredzame jongeren en jongeren die we ‘structuurzoekers’ noemen. Die laatste groep mist momenteel structuur, leiding, helderheid en grenzen. Daardoor vallen er nog altijd té veel jongeren buiten de boot , ook in het onderwijs. Die jongeren missen in hun eigen omgeving vaak een positief rolmodel.

Het paradoxale is dat zelfredzame jongeren de meeste aandacht krijgen van rol modellen zoals politici en beleidsmakers, terwijl we ons juist over deze groep de minste zorgen hoeven maken. Het is natuurlijk leuk om aandacht te besteden aan deze groep, want deze jongeren zijn gevat, creatief, modieus, trendy. Maar wat hen óók kenmerkt is dat zij over het algemeen enorm met zichzelf en met hun eigen toekomst bezig zijn. Het grootste deel van de grenzeloze generatie voelt zich minder maatschappelijk betrokken. Dat frustreert de sociale cohesie in Nederland.”

Het is, constateren Lampert en Spangenberg, een van de problemen die zijn ontstaan als gevolg van de gebrekkige overdracht van basiswaarden en omgangsvormen. “Op dat vlak komt er steeds meer terecht op het bordje van leraren”, ziet Lampert. “Aan de andere kant zijn de mensen die in het onderwijs werken, ook voor een deel de spiegel van de maatschappij. Als je als mens wat meer van jezelf laat zien – waar je voor staat, welke overtuiging je hebt – dan kunnen kinderen zich daar aan scherpen. Iedere jongere wil op zijn of haar niveau graag de waarde van dingen doorgronden en ze begrijpen. Als leraren de confrontatie wat meer opzoeken, is dat voor veel kinderen inspirerend.”

Lampert: “Jongeren v inden het onderwijs van nu vaak saai. Het is belangrijk om dynamiek en spanning in het vak terug te brengen. Dat kan door innovaties, zoals iPad-scholen, maar ook door aandacht te besteden aan vaardigheden a ls story telling. Jongeren hebben wel degelijk behoefte aan verfijning en verdieping. Het draait er om op welke manier je daaraan tegemoet komt. Als je kinderen kunt meenemen in je verhaal, sluit je beter bij hen aan . Zo spreekt h et onderwijs leerlingen meer aan, en mogelijk motiveert het leerlingen ook om na te denken over de school als toekomstige werkplek.”

“Wat de arbeidsmarkt als geheel betreft: het onderwijs kan en moet beter worden afgestemd op de behoeften van het bedrijfsleven”, vult Spangenberg aan: “Die afstemming heeft een vakmatige kant en een mentaliteitskant. Bedrijven functioneren traditioneel volgens het piramidale principe van hiërarchie en gezag. De jongeren van nu, die van uit een lossere opvoeding instromen op de arbeidsmarkt, hebben veel minder geleerd om in zo’n hiërarchische verhouding te functioneren dan jongeren van twee generaties terug. Zij hebben een andere mentaliteit en een andere houding tegenover hiërarchie en gezag. Maar de meeste bedrijven functioneren in de kern nog wel op die manier. Daar moet je jongeren wel op voorbereiden.”

Verlangen naar gezag

“Uit ons onderzoek blijkt dat je als opvoeder of opleider geen vriendjes moet willen zijn met pubers,” zegt Lampert. “Jongeren van nu verlangen juist naar gezag en autoriteit, zij het op een nieuwe manier. Hun opvoeders en opleiders, de oudere generatie, wilden gezag juist afschaffen. Maar je mist iets, als je altijd hoort: ‘Volg je hart! Doe wat je wilt! ‘ Opvoeden is een spel van frustreren en stimuleren. Door dat spel leer je omgaan met situaties waarin je de strijd moet aangaan, tegen drempels oploopt, tegenslagen ondervindt . Als daar in het onderwijs niet of nauwelijks op wordt ingespeeld, dan beweeg je misschien lekker mee in de droom van leerlingen, maar dan leid je hen niet op voor de realiteit.”

Spangenberg trekt het onderwerp nog wat breder: “De vraag is: hoe vullen wij het gezagsthema in Nederland op een nieuwe manier in? Hoe spelen we op een stimulerende manier in op de toenemende behoefte van jongeren aan duidelijkheid en richting? Dat is in het onderwijs, in de publieke sector, op de arbeidsmarkt een wezenlijke discussie. Die discussie vereist dat we de gedachte loslaten dat gezag de ontplooiing van het kind per definitie verstikt .” Lampert: “En betrek bij het antwoord het hele spectrum van deze generatie, niet enkel de kosmopolieten en post materialisten van deze wereld, maar ook de opwaarts mobielen. In landen met opkomende economieën zie je dat er in het onderwijs  veel meer sprake is van leiding en richting. Je kunt het oneens zijn met de manier waarop dat gebeurt, maar het komt in elk geval voort uit de wil om over een bepaalde tijd ergens te staan en om nu te doen wat daarvoor nodig is.”

Spangenberg: “Wij hebben zowel in Suriname als in Singapore gewerkt. We hoeven niet uit te weiden over de huidige economische en culturele verschillen tussen die twee landen. Vijfenveertig jaar geleden stonden deze landen er nog min of meer hetzelfde voor. Het blijkt dus mogelijk om gezamenlijk af te spreken wat voor samenleving je wilt zijn en daar met vereende krachten aan te werken. Die opvatting leidt altijd tot reacties over de nadelen van landen als Singapore. Maar het draait om het principe dat we de richting die de samenleving op gaat veel meer kunnen plannen en plooien dan we doen.”

Een sterke toekomstoriëntatie

Dat was ooit anders, zo vult Lampert aan: “Na die verschrikkelijke Tweede Wereldoorlog groeide in Nederland het besef: wij gaan werken aan de wederopbouw! Gevolg: een sterke en heldere toekomstoriëntatie. Nu kennen we een andere transformatieperiode, gekenmerkt door economische tegenslag en een technologische revolutie. Met alle bijbehorende ongewisheden, is het juist nu van belang om te bepalen wat voor land wij willen zijn. Een helder toekomstperspectief heeft een mobiliserende, inspirerende werking op jongere generaties. Jongeren dragen graag bij aan een groter project. Het is aan ons om te onderbouwen of zij zelf dat grotere project zijn of dat het inhoudt dat je samen werkt aan de opbouw van het Nederland van de toekomst, een land waarvan je kunt houden. We mogen overigens n iet verwachten dat een dergelijke toekomstoriëntatie vooral van jongeren komt. Dat is aan de generaties vóór hen, zij hebben meer levenswijsheid, relativeringsvermogen en ervaring.”

Lampert: “De manier waarop bestuurders hun werk doen, hun bestuursstijl, moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkeling. Nederland kent steeds meer zelfredzame, zelfbewuste burgers. Dat vraagt in essentie om bestuurders die oog hebben voor initiatieven in het veld en die daar de diversiteit laten floreren. Dat noemen we een ‘netwerkersstijl’. Door op bestuursniveau meer ruimte te bieden aan gemotiveerde leraren en het onderwijs meer in te bedden in de samenleving en tegemoet te komen aan de behoeften van die samenleving, kan het onderwijs beter inspelen op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd heeft de BV Nederland behoefte aan bestuurders die zich richten op punten aan de horizon: waar willen we over twintig jaar zijn als samenleving? Wat gaan we dan doen en wat betekent dat op dit moment voor onze sector? Ga daarover in het kader van de lange  termijnoriëntatie eens in debat met mensen uit alle geledingen van het onderwijs, van alle mentaliteitsgroepen.”

Waar het gaat om besturen en leiding geven, is mentaliteitsafstand voor Spangenberg een kernbegrip: “Je moet als bestuurder of directielid weten hoe je je verhoudt tot de nieuwe generatie leerlingen en leraren en je moet professioneel kunnen omgaan met die verhouding.’ Daarom vergen goed bestuur en goed leiderschap flexibiliteit in stijl; het vermogen om afstand te nemen van je eigen waardenpatroon en op een nieuwe manier de aansluiting met anderen te vinden. Niets werkt beter dan het relativeren van je eigen waarden en percepties. Al verschilt je mentaliteit nog zo van die van de ander, er zijn voldoende bruggen waarmee je aansluiting kunt vinden.”

Dat werkt zeker voor jongeren positief, weet Lampert: “Zij zitten midden in hun vormende periode, waardoor ze nog open staan voor andere waarden en hun eigen oriëntatie leren relativeren. Neem de sterke materiële oriëntatie van jongeren tegenwoordig. Die leren ze alleen relativeren via de dialoog met andere mensen . Als bestuurder, onderwijzer, opvoeder heb je daarin extra verantwoordelijkheid. Pak die dus: daag uit, con fronteer, stuur bij. Ook collectief. Sjoerd Slagter is dat pad al ingeslagen, en ik hoop dat zijn opvolger dat met kracht voortzet.”

Om typen jongeren (en ouderen) beter in beeld te krijgen, onderscheiden Lampert en Spangenberg vier ‘burgerschapsstijlen’, gebaseerd op mentaliteit. leder individu verenigt eigenschappen van alle vier typeringen, maar in een bepaalde volgorde. Tussen haakjes het percentage jongeren van de Grenzeloze Generatie waarbij de betreffende burgerschapsstijl overheerst.


Plichtsgetrouwen (3%)

Behoudend, sterk maatschappelijk betrokken burgers, met respect voor de autoriteit van de overheid, gedreven door plichtsbesef. Veelal speelt het geloof een belangrijke rol.

Verantwoordelijken (17%)

Maatschappijkritische, maar coöperatieve burgers met hart voor de publieke zaak en met veel verantwoordelijkheidsgevoel. Ze zijn goed geïnformeerd en ze willen graag invloed uitoefenen. De overheid zien zij als een belangrijk instrument om de publieke zaak te dienen.

Zelfredzamen (47%)

Pragmatische en zelfredzame burgers, vaak gericht op status en anders-zijn. Eigenbelang en individualisme staan voorop, interesse in het overheidsbeleid is selectief. Zij staan overwegend  minder negatief tegenover de overheid dan structuurzoekers, maar ze zijn zeker niet volgzaam.

Structuurzoekers/ buitenstaanders (33%)

Weinig maatschappelijk betrokken burgers, maar gedreven door een behoefte aan maatschappelijke erkenning. Zij voelen zich vaak buitengesloten en hebben weinig vertrouwen in de overheid. De eigen kring staat voorop en genieten van het leven is erg belangrijk.


 

Frits Spangenberg

Frits Spangenberg is oprichter van Motivaction International (Amsterdam), een bureau dat opinie-, beleids- en marktonderzoek uitvoert. Eind 2005 trok hij zich terug uit de dagelijkse leiding van Motivaction om zich volledig te richten op advies- en onderzoekswerk. Spangen berg geeft regelmatig lezingen en heeft vele publicaties op zijn naam staan.

Martijn lampert

Sociaal wetenschapper Martijn Lampert werkt als onderzoeker bij Motivaction International (Amsterdam) en is gespecialiseerd in onderzoek naar waarden, levensstijlen en maatschappelijke verandering. Hij geeft onder meer leiding aan het Mentality onderzoeksprogramma en publiceert regelmatig over maatschappelijke trends.

Voetnoot

Op www.motivaction.nl staat een gratis Mentality-test, die aangeeft bij welke groepen u het beste past en tot welke groepen u de grootste afstand heeft.